Het juiste lidwoord is de dakkapel. Je zegt dus “de dakkapel”, niet “het dakkapel”. Dit is bevestigd door Van Dale, het gezaghebbende Nederlandse woordenboek.
Voor veel mensen is dit even zoeken, want Nederlandse lidwoorden volgen niet altijd een logische regel. Bij samengestelde woorden zoals dakkapel neem je het lidwoord over van het laatste deel van het woord. “Kapel” is een de-woord, dus “dakkapel” krijgt ook “de”.
De dakkapel of het dakkapel: waarom “de”?
In het Nederlands heeft elk zelfstandig naamwoord een lidwoord: “de” of “het”. Bij samengestelde woorden zoals dakkapel bepaalt het laatste woord welk lidwoord je gebruikt. Het woord “kapel” heeft als lidwoord “de”, dus ook “dakkapel” krijgt “de”. Dit geldt als een algemene vuistregel voor samenstellingen in het Nederlands.
Twijfel je bij een ander woord? Dezelfde redenering werkt vaak ook daar. Kijk naar het laatste zelfstandige naamwoord in de samenstelling en neem dat lidwoord over.
Hoe spreek je dakkapel uit?
De dakkapel spreek je uit als “dak-ka-pel”, met de klemtoon op de laatste lettergreep: dak-ka-PEL. Het woord bestaat uit twee delen: “dak” (het bovenste deel van een huis) en “kapel” (een uitbouw met een eigen dak en ramen).
Wat is een dakkapel eigenlijk?
Een dakkapel is een uitbouw in het schuine dak van een woning. Je plaatst hem om meer ruimte en lichtinval te creëren op de bovenverdieping of in de zolderruimte. Een dakkapel heeft een verticale voorzijde met ramen en een eigen klein plat of schuin dak. Je ziet ze veel op rijtjeshuizen en vrijstaande woningen in Nederland.
De dakkapel verschilt van een dakraam: een dakraam ligt vlak in het schuine dakvlak, terwijl een dakkapel naar buiten toe uitsteekt en meer stahoogte geeft.
Kortom: schrijf en zeg altijd de dakkapel. Dat is de enige juiste vorm, vastgelegd in Van Dale.

